33
Zoowel het voorbeeld, door mannen als Hooft en Vondel gegeven, als de invloed
der spraakkunstenaars veroorzaakten een toenemend streven naar taalzuivering
in de tweede helft der 17
e
eeuw. Bij een nauwgezet auteur als Antonides van der
Goes mag men nog eens een enkele maal een vorm ontmoeten als ‘des Bruids’
1)
,
het is een zeldzaamheid. Meer en meer komt de verbuiging op het standpunt dat
wij nog thans in de schrijftaal innemen.
Des
verdween als vrouwelijke genitief,
den
als mannelijke nominatief. Maar een groot struikelblok bleef liggen. Hoe kon men
weten - het te
hooren
was onmogelijk - of een woord mannelijk of vrouwelijk was?
Holland gaf in de letterkundige wereld den toon aan, en in Holland bestond in de
spreektaal geen of zoo goed als geen verschil meer in de verbuiging van m. en vr.
woorden.
De meesten gingen te rade met hun ‘gevoel’; of kozen het geslacht dat het woord
in hun bekende vreemde talen had; zij schreven den eenen dag soms anders dan
den vorigen, behalve nog dat zij telkens in strijd kwamen met hunne medeauteurs.
Antonides van der Goes gebruikt in den
Ystroom
het woord
orkaen
zoowel mannelijk
als vrouwelijk
2)
, ook
mond
3)
en
rijkdom
4)
en meer andere.
Borst
(lichaamsdeel),
keten
,
olie
, ook alle riviernamen zijn mannelijk bij hem; daarentegen
toght
,
zwarm
,
schat
,
bandt
,
krans
,
twist
vrouwelijk.
Maar het ‘gevoel’ was niet het eenige richtsnoer. Men trachtte het gebruik der
groote Hollandsche dichters na te volgen. Er is reden om te vermoeden, dat velen
lijsten van zelfst. nw. begonnen aan te leggen, waarop vermeld stond, welk geslacht
door mannen als Hooft en Vondel aan de substantieven was toegekend.
Zulke lijsten treft men aan in de meeste grammatica's der 17
e
en van het begin
der 18
e
eeuw. De spraakkunstenaars stelden ze nog niet zoozeer samen om
voorschriften te geven, als wel om den schrijvers een hulpmiddel in het bepalen van
't geslacht aan de hand te doen. Willem Séwel zegt in zijn
Nederduytsche
Spraakkunst
(2
e
druk v. 1712):
‘Alhoewel ik nu veele Naamwoorden, op den voorgang van Hoofd en Vondel manlijk
acht, nógtans wil ik de genen die eenige daar van liefst als vrouwelijk willen
gebruyken, niet bestrijden; want onaangezien men
Brief
acht manlijk te zijn, evenwel
kunnen 'er gevallen weezen, dat het immer zo voeglijk schynt, dat woord als
vrouwelijk te gebruyken, als
Ik gaf den boer de brief
...... Het zelfde kan men ook
zeggen van het woord
Brand;
want hoewel men onbeschroomd mag zeggen
Den
brand blusschen
, nógtans kan ik het niet quaad keuren dat men, om hardigheyd te
vermyden, zegt
Het schip wierd in de brand geschooten
’.
5)
Meer en meer begon men ook te zoeken naar
regels
voor de bepaling der geslachten.
Vooral Arnold Moonen, wiens
Nederduitsche Spraekkunst
in 1706
1)
Gedichten
(1685), blz. 98.
2) t.a.p., blz. 28 en 133.
3) Blz. 87 en 89.
4) Blz. 93 en 99.
5)
Spraakkonst
, blz. 99 en 100.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals