139
heel anderen aard, dan het subject uitdrukt. Hebben wij daarentegen de zinnen:
De
walvisch is een zoogdier. Een korf is eene woning voor de bijen
, dan is het begrip,
door de woorden
een zoogdier
,
eene woning
uitgedrukt, gelijksoortig met en
ruimer dan dat, hetwelk de woorden
een visch
,
een korf
aangeven: een walvisch
is eene soort van zoogdier, een korf is eene soort van woning, terwijl een
zoogdier, eene woning minder kenmerken in zich bevatten dan een walvisch
en een korf.
Tot zoover gaat alles goed. Maar nu nemen wij de zinnen:
Dit gebouw is het Paleis
voor Volksvlijt. Dat meisje is Klaartje van den bakker. De jongen
,
die daar loopt
,
is
Willem Vermeulen
. Kunnen wij nu ook zeggen, dat de woorden
het Paleis voor
Volksvlijt
,
Klaartje van den bakker
,
Willem Vermeulen
een ruimer begrip
vertegenwoordigen dan de woorden
dit gebouw
,
dat meisje
,
de jongen
,
die daar
loopt?
Toch niet:
het Paleis voor Volksvlijt
, enz. vertegenwoordigen hetgeen men
in de zielkunde, in onderscheiding van begrippen, voorstellingen noemt
en diezelfde voorstellingen worden mede uitgedrukt door de woorden
dit
gebouw
, enz. Deze zinnen houden alzoo twee identieke voorstellingen in
en door het woord
is
drukt de spreker uit, dat het oordeel die identiteit heeft
vastgesteld.
Bij dergelijke volzinnen onderscheide men steeds inhoud en doel. De inhoud
bestaat, gelijk wij zeiden, in het constateeren der identiteit van twee voorstellingen;
het doel is de kennis van den hoorder te vermeerderen, door hem eene
mededeeling te doen aangaande de zelfstandigheid, in het onderwerp uitgedrukt.
Daaruit volgt, dat men niet willekeurig het onderwerp en het naamwoordelijk deel
met elkander verwisselen kan. Bij het rekenen is het volkomen onverschillig, of men
met 2 × 2 dan wel met 4 werkt, maar wanneer men een kind leert, dat 2 × 2 gelijk
is aan 4 en dit uitdrukt door: 2 × 2
is
4, dan deelt men iets mede aangaande 2 × 2;
dan is 2 × 2 dus het onderwerp en:
is
4 het gezegde.
In het bovenstaande meenen wij aangetoond te hebben, dat de onderscheiding
van onderwerp en naamwoordelijk deel van 't gezegde niet altijd kan afgeleid worden
uit den omvang der begrippen, in die deelen uitgedrukt. Daartoe moeten wij dus
naar een ander middel omzien. En dit vonden wij in het doel, waarmede men spreekt.
Terecht is door den heer DEN HERTOG in een vroeger nummer van
Noord en Zuid
opgemerkt, dat elke zin, die geene vraag of geen gebod bevat, eene mededeeling
inhoudt. De voorbeelden, boven gegeven, behooren tot deze laatste soort. Willen
wij dus bij deze zinnen bepalen, wat het onder-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals