247
Bij vs. 371 mist men Verdam's conjectuur ‘sermoen’ (Wdbk., i.v. ghemeene). - Vs.
374: In het Ned. Bibl. Arch. n
o
. 2, wordt dit BvS. ook besproken. Om dezen regel
brengt de Red. het tot de XIII
e
eeuw, waarmee vs. 698 niet strijdt. Is echter dit
spreekwoord, ontstaan tijdens de kruistochten, later niet meer gebruikt? Vgl. ons:
Bid eenmaal, als je op zee; tweemaal, als je in den oorlog; driemaal, als je trouwen
gaat! In hoelang hebben wij Nederlanders geen oorlog gevoerd. - Vs. 413 vv.: De
daar aangehaalde 5 claves staan in von Richthofen, Fries. Rechtsquellen 342;
Hettema, Oudfriesche Wetten, I, 46/7. - In vs. 473 moet, dunkt mij, ‘stief’ vóor ‘vader’
blijven. Ik vraag ook of in 't mndl. dergelijke constructies - zelden wel is waar, maar
dan toch - voorkomen als het hs. heeft; het omgekeerde van 't geen we nu in den
tekst hebben. - Blijkt uit het rijm van 551/2, dat althans die strofe uit het duitsch is
vertaald (tue: zue?) Een nauwkeuriger onderzoek dan waarvoor ik nu gelegenheid
heb, zou hierin kunnen beslissen
1)
. Bij vs. 698 had naar Goede Boerden, blz. 38,
47/8, moeten verwezen. - 713. Hierbij is thans Dr. Stoett, Tijdschr. X, 118, aan te
halen. - 762. zal de lezing van 't hs.: ‘ouden’ wel moeten blijven. - Ad vs. 775, vgl.
Reyn. I, 1075. - 796-800, vgl.? Reyn. I, 1980. - 803. verdoemt, zie 't Glossar.; is er
‘verdoert’ (hs. verdoe't) te lezen? - 908. den lieden (hs.) is wel dat. plur. en is beter
dan ‘der lieder’. - Kan in 968 ook ‘beuulet’ gelezen? - 1007. Vgl. Reynaert I, 672, te
veel gelezen om hier niet bij aangehaald. - 1035. Kan ‘nie’ niet blijven, of als
dialectisch = niet, of soms als ‘nie’ = nooit? - 1042. In voce pec, zie 't Gloss., had
naar Strof. Ged. Martyn I, 23: ‘den helsce pit’ (put) eveneens moeten verwezen.
Dit is een goede uitgave. De teksten zijn nauwkeurig naar de hss. afgedrukt, except
het Audenaersche. Zelfs de scheiding der woorden is genoteerd. Niet echter of een
woord meer of minder leesbaar is.
Ook zijn ten onrechte weggelaten de ‘autoriteiten’ bij het Haagsch fragment, al
schijnen zij fictief (zie blz. XXXVI). Zij konden op weg helpen bij het ontdekken van
verwante hss. enz.
De Aanteekeningen bevatten tal van gelijkluidende plaatsen - latijn als mnederl.;
- menige opmerking ook van indirect belang, is er tusschenin gelascht; grammatische
eigenaardigheden zijn verklaard; nog al eens een betere lezing, ook in de vergeleken
teksten, voorgeslagen. Er is een zekere onregelmatigheid evenwel. Soms zijn in de
Aanteek. de plaatsen besproken en verbeterd, soms ook in het Glossarium; men
dient derhalve zoowel de Aant. als het Glossar. na te slaan
3)
.
2)
1) Op de wijze van Tijdschr. V, 310 vv.
3) Zoo wordt in de Aant. aan ‘gherede’ en ‘diennen’ een eigenaardige beteekenis toegekend
(ad vs. 625 en 635), daar de eerste wel van in 't Glossar. voorkomt, de tweede niet; ook had
bij ‘wedergheven’ wel naar de Aant. mogen verwezen.
2) Ad 955, blz. 117: Lisemuschs, is dit Lysimachus??
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals