163
altijd de hoofdzaak - krijgen die luchtige anapästen iets zoo opwekkends, vroolijks
bijna, dat elke gedachte aan somberheid verdwijnt: Wie door dezen trippelgang
wordt meegevoerd, m.a.w. wie deze woorden hoort, kan niet langer in zijn leed
versuffen; de beweging sleept hem mee en voert zijnen geest naar zonniger sfeer,
nog voordat hem de dubbele beteekenis van
met
in den laatsten regel recht duidelijk
is geworden: 't gevoel vliegt ons denken vooruit.
Wil iemand zich nauwkeurig rekenschap geven van het verschillend effect door
deze maten teweeggebracht, dan doet hij het best, ze van alle andere middelen,
waarvan de dichter zich bedient, af te zonderen en dus te zorgen, dat hij alleen
maat
hoort, zonder woorden. Hij kan daartoe de accenten, de maatdeelen b.v. op de tafel
trommelen, of ze met een' klank zonder beteekenis aanduiden. Als hij dan na eene
reeks van jamben:
ta tám
,
ta tám
, enz. eene andere van anapästen laat hooren:
ta
ta tám
,
ta ta tám
, enz., zal hij tusschen beide soorten van voeten, vertrouw ik, wel
eenig verschil in karakter merken. Dit zelfde middel zal hem later ook kunnen helpen,
om den geheel anderen aard van deze voeten: - ◡ en - ◡ ◡ te onderkennen.
Wij mogen zonder onbescheidenheid onze beschouwing niet verder uitstrekken.
Zoo er daardoor enkelen liefde en bewondering hebben gekregen voor dit schoone
gedichtje, dan is er alvast iets bereikt. Doch meer ware het, zoo zich bij hen de
overtuiging had gevestigd, dat men, om een kunstwerk te genieten en te waardeeren,
alle vooroordeel op zij moet zetten, opdat men zich geheel in de denkwijze van den
kunstenaar kunne verplaatsen. Wie in poëzie, of schilderkunst of beeldhouwwerk
alleen zich zelven zoekt, zal, ja, soms zijnen dorst kunnen lesschen, maar den
dichter, den schilder en hunne kunst vindt hij nooit. Komt de kunstenaar onze
neigingen en behoeften te gemoet, des te beter, wij zullen er hem dankbaar voor
zijn; maar iets anders is het, of hij onzen kunstzin bevredigt. Wat kunst is, wat kunst
doet, ziet men misschien het duidelijkst, waar de bekoring in de wijze van voorstelling,
niet juist in onze ingenomenheid met het onderwerp gelegen is. Het is een bewijs
van geringe aesthetische ontwikkeling, zoo wij voor die bekoring ongevoelig blijven.
Voor de schilderkunst geeft men dit gereedelijk toe. Kinderen van het land van
Rembrandt, zit er in de meesten van ons genoeg van een' schilder, om Jan Steen
te genieten, al walgen wij van kroegtooneelen en lichtekooien; genoeg, om den
grooten meester zelven te bewonderen, hoe afkeerig we anders ook zijn van militair
parade-vertoon, hoe griezelig ook van een opengesneden kadaver. Doch bereiken
allen die hoogte ook in de poëzie? Hoe velen onder hen, die met de kerk hebben
afgerekend, voelen zich getrokken tot de protestantsche bedehuizen van Bosboom,
terwijl zij zich onverschillig afwenden van den zanger der protestantsche leer, Isaäc
Da Costa!
JOH. A. LEOPOLD.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals