20
attributieven als van den praedicatieven superlatief. Dat is echter niet altijd zoo. Het
geval kan zich voordoen, dat het naamwoordelijk gezegde een bijvoeglijk naamwoord
zijn
moet
en dat men dus dat adjectief niet
kan
beschouwen als eene attributieve
bepaling bij een verzwegen substantief. In dat geval is dan het gebruik van den
attributieven positief, comparatief en superlatief uitgesloten. Dat verschijnsel doet
zich voor, indien het toekennen van de hoedanigheid (positief) afhankelijk is van of
alleen geschiedt in bepaalde omstandigheden, een zekeren tijd, enz. of wanneer
de hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid vergeleken wordt (comparatief en
superlatief) met diezelfde hoedanigheid op verschillende tijden of in verschillende
omstandigheden. Zoo zal men in den zin
Is de mensch in zijne jeugd gelukkig
? het
naamwoordelijk gezegde bezwaarlijk kunnen veranderen in
een gelukkige
, en is
dus hier het gebruik van het praedicatieve adjectief noodzakelijk; evenmin kan de
praedicatieve comparatief in
Is de mensch in zijne jeugd gelukkiger dan op rijperen
leeftijd?
veranderd worden in den attributieven
een gelukkigere
, en evenzoo zal
men in
Is de mensch in zijne jeugd het gelukkigst
? zich van den praedicatieven
superlatief moeten bedienen en zou de attributieve
de gelukkigste
daar geheel
misplaatst zijn. Wat dus het handboek leert aangaande het gebruik van den zoogen.
bijwoordelijken superlatief, n.l. ‘dat deze gebezigd
moet
worden, waar men de
hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid vergelijkt op verschillende tijden of in
verschillende omstandigheden’, is volkomen juist, maar onjuist is de bewering dat
men bij vergelijking van verschillende zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde
hoedanigheid aan het gebruik van den zoogen bijvoeglijken zou gebonden zijn.
Voor het gebruik van den superlatief zou ik de regels aldus willen formuleeren:
1. De superlatief kan, evenals de positief en de comparatief, zoowel attributief
als praedicatief worden gebruikt. In het laatste geval wordt hij in den regel
voorafgegaan door het onzijdig lidwoord (
de hoogste; het hoogst
).
2. Bij vergelijking van verschillende zelfstandigheden ten opzichte van dezelfde
hoedanigheid kan zoowel de eene vorm als de andere gebruikt worden, naar
gelang men zich in dat geval den positief en den comparatief als attributief of
als praedicatief bijvoeglijk naamwoord kan denken.
a.
Deze toren is een hooge;
1)
die is een hoogere
,
maar gindsche
toren is de hoogste
.
1) Dat deze vorm, ten minste in het Nederlandsch, niet dikwijls gebruikt wordt, sluit daarom zijne
onbruikbaarheid niet in. Bekend is het, dat men zich in het Engelsch meer van dergelijke
uitdrukkingen bedient, ja zelfs achter dien attributieven positief de zelfstandigheid nog eens
aanduidt met het zelfstandige
one
= een. (
This book is a very good one: dit boek is een zeer
goed
.) Zoo vinden we ook in het Nederlandsch o.a. bij Mevr. Bosboom-Toussaint:
Zijne
gezondheid was eene zeer goede
. Opmerking verdient het, dat voor het onzijdig geslacht die
vorm zich bij ons nog minder laat gebruiken dan voor de andere geslachten. J.B.
In het Nieuwfriesch zegt men: hwa is bliidst fen jimme (= wie is het blijdste van jullie)? - Det
hinzer rint it hirdst (= dat paard loopt het hardst). Dy tûr is (de) heachst(e) (= die toren is (de)
het hoogst(e).
Dy mar is der op syn (it) djypst (= die wetering is daar het diepst). -
Evenals in het Engelsch zegt men: det is 'n tíge greate-n-ien (= dat is een zeer groot (boek).
B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals