283
edel mensch te zijn
een voorbeeld van een dergelijk verschijnsel. Andere voorbeelden
zijn:
Mijn zak komt als besteld
,
om in te laden Dien 'k op uw woord vertrouw geen
Goliath te zijn
. (Staring.)
De woestijn Heeft zich een oogenblik uw graf gewaand te
zijn
. (Da Costa.)
Wanneer het naamwoordelijk praedicaatswoord een zelfstandig naamwoord is,
moet daarvan natuurlijk ook de naamval bepaald worden. Hiervoor geldt de regel,
die ook in den hoedanigheidszin den naamval van het naamwoordelijk gezegde
beheerscht, nl. HET NAAMWOORDELIJK GEZEGDE STAAT IN DENZELFDEN NAAMVAL ALS
HET ONDERWERP, WAARAAN HET WORDT TOEGEKEND. Dat in een uitgedrukten zin het
naamwoordelijk gezegde in den nominatief staat, is slechts een bijzonder geval van
dezen algemeenen regel, waarvan een ander bijzonder geval dus is, dat een
praedicaatswoord in denzelfden naamval staat als het woord, waarbij het een
praedicaatswoord is. Die regel verklaart ook het verschijnsel, dat de beide
accusatieven bij werkwoorden als
noemen
in den lijdenden vorm nominatieven
worden. In
ik noem u mijn vriend
staat
vriend
in den accusatief, omdat
u
als lijdend
voorwerp in dien naamval staat; in
gij wordt mijn vriend genoemd
staat
vriend
in
den nominatief, omdat het een praedicaatswoord is bij het onderwerp
gij
. Deze
naamvalsregel blijft gelden, ook dan wanneer het koppelwerkwoord in den vorm
eener onbepaalde wijs aanwezig is; in de beide aangehaalde voorbeelden staan
de woorden
Goliath
en
graf
in den vierden naamval als praedicaatswoorden bij de
lijdende voorwerpen
dien
en
zich
, niettegenstaande het koppelwerkwoord
zijn
in
beide voorbeelden is uitgedrukt.
Zagen we tot dusverre den infinitief van een werkwoord als werkwoordelijk, het
adjectief of substantief als naamwoordelijk praedicaatswoord optreden, men moet
echter niet uit het oog verliezen, dat ook soms een werkwoord in den infinitiefvorm
als naamwoordelijk gezegde dienst doet, dus ook als naamwoordelijk
praedicaatswoord kan voorkomen. In
werken en denken en leeren is leven
(De
Genestet), is het naamwoordelijk gezegde een werkwoord; in zinnen als:
dat noem
ik loopen
is de infinitief
loopen
een naamwoordelijk praedicaatswoord bij het lijdende
voorwerp
dat
.
De hier behandelde praedicatieve bepalingen, zoo werkwoordelijke als
naamwoordelijke, kwamen alle als zoodanig voor bij het lijdende voorwerp, of, wat
de laatste betreft, bij werkwoorden als
noemen
bij het onderwerp van den lijdenden
zin. De naamwoordelijke praedicaatswoorden echter komen ook nog op andere
wijze voor. Niet alleen aan het lijdende voorwerp, ook aan andere zinsdeelen kan
men naamwoordelijke gezegden toekennen door een woord, dat soms
appositie of
bijstelling
genoemd wordt, soms den naam draagt van
bepaling van gesteldheid
,
maar dat in den grond niets anders is dan een praedicaatswoord. In de voorbeelden:
‘
Mijn Eva
’,
stamelt hij
, ‘
laatst
,
eenigst overschot Van al de schatten
,
eens mij
toebeschikt door God
,
Maar van die schatten mij de grootste!
’ (Bogaers) en
En lijk
op lijk
,
verminkt
,
verschroeid
,
Ploft
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals