Engel IB144 User Manual Page 57

  • Download
  • Add to my manuals
  • Print
  • Page
    / 440
  • Table of contents
  • BOOKMARKS
  • Rated. / 5. Based on customer reviews
Page view 56
18
Nu rest ons nog, te doen zien, waarin die onjuistheid bestaat en van het onderscheid
tusschen die beide vormen van den superlatief eene andere verklaring te geven.
Waarom noemt men dien onverbuigbaren superlatief bijwoordelijk? De
Spraakkunsten van Kaakebeen en Kat zeggen het in: ‘De bijwoordelijke superlatief
onderscheidt zich hier weder van den bijvoeglijken door zijne onverbuigbaarheid’,
en: ‘De superlatieven
het tevredenst
,
het diepst
zijn bijvoeglijke naamwoorden, terwijl
de superlatiefvorm met dien van 't
bijwoord
overeenkomt.’ Het is dus niets anders
dan de vorm, die den superlatief den naam van bijwoordelijk doet verwerven. Door
dien vorm echter is die naam niet gemotiveerd. De regel: ‘een bijwoord is
onverbuigbaar’ kan toch bezwaarlijk worden omgekeerd tot: ‘een onverbuigbare
vorm is bijwoordelijk.’ Niet alleen, dat er behalve de bijwoorden nog meer
onverbuigbare woordsoorten zijn, maar zelfs als we ons tot het bijvoeglijk naamwoord
bepalen, treffen we onverbuigbare vormen aan. In den zin:
De domtoren van
Rotterdam is hoog
,
maar die van Utrecht is hooger
zijn de bijvoeglijke naamwoorden
hoog
en
hooger
onverbuigbaar; toch zal niemand daarin aanleiding vinden te spreken
van een
bijwoordelijken positief
en een
bijwoordelijken comparatief
, omdat die
vormen overeenkomen met die van 't bijwoord in:
Wie hoog klimt
,
kan laag vallen
en:
Hoe hooger men klimt
,
des te lager kan men vallen
. De bijvoeglijke naamwoorden
hoog
en
hooger
zijn onverbuigbaar, omdat ze praedicatief gebruikt zijn en dat
praedicatieve gebruik, dat we hier opmerken bij positief en comparatief, is ook
mogelijk bij den superlatief. In dat geval blijft de superlatief natuurlijk ook onverbogen,
doch zonder dat er iets bijwoordelijks aan valt op te merken. We kunnen nu, drie
torens ten opzichte der hoedanigheid
hoog
met elkander vergelijkende, in goed
Nederlandsch zeggen:
De domtoren van Rotterdam is hoog; die van Utrecht is
hooger
;
de Eifeltoren is het hoogst
. De benamingen
bijvoeglijk
en
bijwoordelijk
,
gegrond op de verbuigbaarheid of de onverbuigbaarheid van den vorm, kunnen dus
moeilijk worden volgehouden. Hoe staat het echter met het andere kenmerk, n.l.
met het onzijdige lidwoord, waardoor de superlatief van het praedicatieve bijvoeglijk
naamwoord, zoowel als die van het bijwoord wordt voorafgegaan? Verklaart men
de aanwezigheid van dat lidwoord, door aan te nemen dat
het hoogst
eigenlijk een
substantief is in den adverbialen accusatief (Zie Terwey, § 190), dan spreekt van
zelf, dat de uitdrukking naar den vorm bijwoordelijk is, en zou men kunnen zeggen,
dat het praedicatieve adjectief in den superlatief denzelfden vorm aanneemt als het
bijwoord. Zou echter dat lidwoord niet anders verklaard kunnen worden? Zou,
vooropgesteld de gewoonte om elken
Taal en Letteren. Jaargang 2
Page view 56
1 2 ... 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 ... 439 440

Comments to this Manuals

No comments