200
komen bij het substant. als
bijvoegl
. bepal.: vgl.
God vreezen
met
de vreeze Gods
(objectsgenitief).
6-7.
die lucht
,
die d'ademtocht
DOET DERVEN aan wat dáár
adem zoekt
. Wij hebben
hier een merkwaardige en in haar onregelmatigheid zeer leerzame constructie voor
ons. Even herinneren we, dat
doen
en
laten
met een Infinitief verbonden (zie ook
vooral
T. en L.
I, Marco; pag. 260) te kennen geven, dat iemand of iets eene werking
veroorzaakt. Van die werking is hij zelf of een ander dan het subject en de werking
kan weer een object hebben.
Ik deed hem drinken
is ‘Ik maakte,
dat hij dronk
.’ De
zin boven geeft: ‘de lucht maakt,
dat de ademtocht derft aan
wat dáár adem zoekt’:
ademtocht
staat
als object van doet derven
en is dus het
subject van het derven
.
Maar dit is niet in overeenstemming met de actieve constructie van
derven
. Bij
derven
staat de belanghebbende (ondervindende) persoon zelf als onderwerp en
de zaak die gemist
wordt
staat niet, als hier (
de ademtocht derft
), als 1
e
naamv.
maar als oorzakelijk voorw. in den 4
en
(oorzakelijk als oorspronkelijke genitief):
het
kind derft zijne ouders
(vroeger: ‘zijner ouders’: vgl. ‘ontferm U onzer’). Actief moeten
wij dus construeeren:
Wat daar adem zoekt
(onderwerp)
derft er den ademtocht
(oorzakel. voorw.); in de Causatieve Constructie wordt dit:
die lucht
,
die wat dáár
adem zoekt doet derven den ademtocht:
hierin is
wat dáár adem zoekt
dan het
lijdend voorwerp van
doet derven
(vgl. ‘het paard drinkt’ met ‘hij doet het paard
drinken’) en
den ademtocht
blijft het
oorzakelijk
voorwerp. Een overeenkomstig
geval is:
Hij is het spoor bijster
(
spoor
, oorzakelijk voorw. bij
bijster zijn
), dat Causatief
wordt:
Ik doe hem het spoor bijster worden
, waarin
hem
lijdend voorwerp van
bijster
doen worden
is en
het spoor
oorzakelijk voorwerp blijft. Construeeren wij dezen zin
naar het voorbeeld van Hagar 6-7, dan komt er:
Ik deed het spoor bijster zijn aan
hem:
en wat gebeurt er dan? Wij geven
bijster
onwillekeurig eene
andere
beteekenis,
want niet het spoor, maar de man is bijster, bijster ten opzichte van het spoor. Actief
zou men dan moeten zeggen:
Het spoor is ons bijster
. Zoo nu heeft ook Da Costa
onwillekeurig eene beteekenis gegeven aan
derven
, die het eigenlijk niet heeft: die
van ONTBREKEN. Beteekende
derven
inderdaad ‘ontbreken’, dan zou men actief
construeeren: ‘De ademtocht derft ons’ (‘de ouders derven het kind’,)
dit
zou causatief
den zin van Da Costa opleveren: Hij doet den ademtocht ons (3
e
nv.) derven. Maar
derven
beteekent
missen
. Bij de causatieve constructie ligt echter, ook doordat
ademtocht
in elk geval een 4
e
nv. wordt, de verwarring van ‘derven’ en ‘ontbreken’
zoo voor de hand, dat dit voorbeeld in Hagar wel niet alleen kan staan. - Vgl. echter
T. en L.
, I, 96-98.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals