17
Als van zelf doet zich nu de vraag voor: Waar zit de fout? In het voorbeeld of in de
Spraakkunst? De beantwoording van die vraag is het doel van dit opstel.
Zat de fout in het voorbeeld, d.w.z. had de dichter hier vormen gebezigd, die in
goed Nederlandsch niet gebruikelijk zijn, dan zou het zeker niet gemakkelijk zijn,
nog meer voorbeelden van dat verschijnsel bij te brengen, doch - het
tegenovergestelde is het geval. Beschouwen we slechts de voorbeelden:
Want heerlijk
,
God! zijn al uw werken
,
Maar heerlijkst is uw avondstond
! (Tollens.)
Gij
,
Gij weet het
,
dat ik nimmer U om rijkdom heb gevraagd
;
Dat ik 't rijkst den stervling roeme
,
die naar rang noch schatten jaagt
. (Ter Haar.)
En zoudt gij
,
Droeven! dan niet klagen
,
Nu ge op een open grafkuil staart
,
En op de lijkbaar weg zaagt dragen
,
Die U het dierbaarst was op aard
? (Ter Haar.)
Dan wijze ik u de plekjes
,
die ik 't bekoorlijkst vond
; (Beets.)
Winandermeir en Edinburg zijn wat ik heerlijkst zag
. (Beets.)
Vos
,
van alle dieren zijt gij het slimst
. (L. Leopold.)
dan zien we, dat in het eerste citaat de avondstond ten opzichte der hoedanigheid
heerlijk
met de andere werken Gods vergeleken wordt; dat men in het tweede den
sterveling, die naar rang noch schatten jaagt, ten opzichte der hoedanigheid
rijk
met andere stervelingen vergelijkt; dat in het derde vergelijking plaats heeft tusschen
een afgestorvene en andere vrienden of betrekkingen, ten opzichte der hoedanigheid
dierbaar
; dat Beets in het vierde voorbeeld vergelijking maakt tusschen verschillende
plekjes ten opzichte van de hoedanigheid
bekoorlijk
; dat in het vijfde Winandermeir
en Edinburg ten opzichte der hoedanigheid
heerlijk
vergeleken worden met andere
plaatsen, die Beets gezien heeft en dat we in het laatste voorbeeld te maken hebben
met eene vergelijking tusschen den vos en alle andere dieren en wel ten opzichte
der
slimheid
. We hebben hier dus gevallen, waarin men zelfstandigheden ten
opzichte van dezelfde hoedanigheid met elkander vergelijkt, waarin men dus volgens
de Spraakkunsten den bijvoeglijken (d.i. verbuigbaren) superlatief zou moeten
bezigen, terwijl overal de onverbuigbare, door de Spraakkunsten met den naam
van bijwoordelijk bestempelde superlatief gebruikt is. Geen dier voorbeelden strijdt
tegen ons taalgevoel; het gaat niet aan, ze alle fout te noemen, omdat ze in strijd
zijn met het handboek; duidelijk is het, dat de behandeling dier gevallen in de
Spraakkunsten niet geheel juist is.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comments to this Manuals